P.C. Hooft-prijs 2010

Over de P.C. Hooft-prijs

Instelling

De P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde behoort tot de belangrijkste literatuurprijzen in het Nederlandse taalgebied. Deze oeuvreprijs wordt jaarlijks af...Lees meer >

Staatsprijs

Aanvankelijk was de P.C. Hooft-prijs een staatsprijs. De relatie tussen staat en Stichting kwam onder druk te staan toen in 1984 Hugo Brandt Corstius ...Lees meer >

P.C. Hooft

P.C. Hooft (Amsterdam 16 maart 1581 – Den Haag, 21 mei 1647), was geschiedkundige, dichter en toneelschrijver. Hij was de zoon van Cornelis Hooft, d...Lees meer >

P.C. Hooft-prijs P.C. Hooft-prijs

P.C. Hooft-prijs 2010

P.C. Hooft-prijs 2010 voor Charlotte Mutsaers

Op donderdag 20 mei is in het Letterkundig Museum in Den Haag de P.C.Hooft-prijs, dit jaar bestemd voor verhalend proza, uitgereikt aan Charlotte Mutsaers (*1942, Utrecht). De prijs werd traditiegetrouw uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst in het Letterkundig Museum.

Biografie

‘Mijn werk is een autobiografie van het gevoel’, aldus schrijfster en schilderes Charlotte Mutsaers (Utrecht 1942). Ze is intens, aanstekelijk en ...Lees meer >

Biografie

‘Mijn werk is een autobiografie van het gevoel’, aldus schrijfster en schilderes Charlotte Mutsaers (Utrecht 1942). Ze is intens, aanstekelijk en verrassend. Ook op papier en doek. Net als haar schilderijen zijn haar verhalen indringend en eigenzinnig.

Mutsaers debuteert in 1983 met Het circus van de geest, later volgen onder meer de bundel Hazepeper (1985) en het beeldverhaal Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw (1986). Haar eerste roman De markiezin komt uit in 1988. Vanaf de jaren negentig richt Charlotte Mutsaers zich helemaal op het schrijven. Er verschijnen drie zeer persoonlijke essaybundels: Kersebloed (1990), Paardejam (1996) en Zeepijn (1999). Haar roman Rachels rokje (1994) wordt zeer enthousiast door lezers en critici onthaald, evenals haar meest recente roman Koetsier Herfst (2008).

Het werk van Charlotte Mutsaers werd eerder bekroond, onder andere met de Jacobus van Looy-prijs en de Constantijn Huygens-prijs in 2000, beide prijzen voor een geheel oeuvre.

Juryrapport

Het werk van Charlotte Mutsaers is een feest voor lezers die hun geest willen laten waaien. Geen zin is bij haar hetzelfde. Het verhaal gaat zelden re...Lees meer >

Juryrapport

Het werk van Charlotte Mutsaers is een feest voor lezers die hun geest willen laten waaien. Geen zin is bij haar hetzelfde. Het verhaal gaat zelden recht op zijn doel af. In De markiezin staat deze zin: ‘De hersens van de zijweggetjes zijn zo heel anders dan het stel hersens van de snelweg…’ Mutsaers laat haar lezers graag langs die zijwegen kronkelen. Wie aandachtig leest, zal zien dat het geen lukrake afslagen zijn, die de boel onnodig ophouden. Mutsaers weet wat ze doet. Er zit veel samenhang in haar werk dat op het eerste gezicht zo wispelturig lijkt. In Kersebloed schrijft Mutsaers: ‘Ze zouden eens wat minder smalend moeten doen over begrippen als hondentrouw.’ We weten van haar dat ze dol is op honden en dat ze trouw is, als een hond, aan alles wat haar lief is. Ook in haar schrijverschap wordt zij gedreven door zoiets als hondentrouw. Drie voorbeelden.

Trouw aan de dingen

In de beeldende manier van schrijven van Mutsaers herken je meteen de hand van het dubbeltalent. Je ziet het allemaal zo voor je. Zij plooit haar verhalen rondom tastbare voorwerpen als een rok, een dennenappel of rondom een mobiele telefoon van het merk Nokia, zoals in Koetsier Herfst. Ook beschrijft ze graag voorwerpen die haar lief zijn. Zo stuiten we in haar werk op een menigte aan Mutsaersiana: een Kolbaz­worstje, een oestermes, een poezen- en een hazentheepot, een karkassenbrug, de vergulde bustehouder van Mata Hari, een eierschaar, porfieren inktvisjes, een bontjasje van astrakan, een rood hondentrommeltje met kraaltjes, een autoped, een kreeftenschaar, een doosje Zwaluwlucifers, een kerst­auto, een Raleighfiets zonder trappers, een vuilnisemmerdeksel met nummer 172, een pakje gedroogde bullepezen, een wit-zwart gevlekte tennisbal die ooit kon loeien als een koe, een rubberen kaboutermutsje met appelgeur, een spuitfles mayonaise, een stoeltjesklok met zeemeerminnen en een Turks hockertje van parelmoer. Al deze dingen worden één voor één voor ons uitgestald en beschreven. Ze zijn uniek. Ze maken allemaal deel uit van de collectie van het Mutsaers-museum.
Een rotsvast vertrouwen in woorden heeft Mutsaers intussen niet. Ze beziet ze zelfs met de nodige argwaan. In De markiezin waarschuwt ze in het eerste hoofdstuk al dat ‘er van passende woorden nooit sprake (kan) zijn’. In Rachels rokje wijst ze de lezer opnieuw op de ontoereikendheid van de taal: ‘De mens is onbeschrijflijk onbeschrijfbaar. Evenals het dier. Evenals het romanpersonage. Evenals het naakte bestaan.’ En alsof we nog niet voldoende gewaarschuwd zijn, opent Koetsier Herfst met deze verzuchting: ‘Er wordt vaak geklaagd over de ongeloofwaardigheid van romans en daar kan ik inkomen […].’
Moeten we nu medelijden met Mutsaers hebben? Omdat er geen passende woorden zouden zijn voor het toch al onbeschrijflijke bestaan? Wij weten wel beter. Wie uit een simpel mobieltje een meeslepend liefdesavontuur kan laten opbloeien, wie een plooirokje tot zwierig beeld kan maken van een mensenleven, heeft taal en werkelijkheid toch aardig onder de duim.

Trouw aan de literatuur

Mutsaers wordt voorgedragen voor de P.C. Hooft-prijs voor haar verhalend proza, maar het is niet goed mogelijk haar romans los te denken van essaybundels als Paardejam en Zeepijn. Haar essayistiek ligt in het verlengde van haar verhalend proza, en omgekeerd. Al haar werk komt voort uit eenzelfde grondhouding. In haar essays spreekt ze haar voorliefde uit voor schijvers en dichters als Franz Kafka, Jan Hanlo, Edgar Allan Poe, Vladimir Nabokov, Maurice Gilliams en Stevie Smith. We zien Mutsaers daarin naarstig op zoek naar geestverwanten. Mutsaers heeft een eigen toon en een eigen manier van formuleren, maar er klinken bij haar allerlei andere teksten mee, van eenvoudige kinderliedjes tot aan de sardonische humor van Armando. Hella S. Haasse merkte ooit op dat het werk van Mutsaers getuigt van een ‘indrukwekkende vertrouwdheid met het werk van dichters en prozaïsten’. Mutsaers gebruikt haar eruditie niet om de lezer te imponeren. Ze wil er vooral haar verbondenheid mee uitdrukken met gelijkgestemden. In Kersebloed zegt ze daarover: ‘Ik denk dat diep in het achterhoofd van menig schrijver een vonk hoop leeft met de potentie van een vulkaan, dat hij zich al schrijvende een nieuwe familie zal verwerven. Een kleine familie waarmee hij misschien enkele gevoelens zal delen die hij in het gewone leven niet kan of niet wenst te tonen. Geheime gevoelens. Waarover hij niet spreken kan, juist dáárover wil hij schrijven.’

Trouw aan het kind

Haar oeuvre is een groot pleidooi voor verwondering, betovering, onbevangenheid en enthousiasme. Zoals ze in Paardejam schrijft: ‘Wie nooit op een hobbelpaard over het tapijt heeft geracet, nooit “Huhu!” heeft gebruld al was het maar tegen een bezemsteel, nooit geloofd heeft in hoefijzergeluk, nooit gesnakt heeft naar de hengstebron, nooit Jeanne d’Arc, Sinterklaas of Napoleon heeft willen zijn, zal het in de kunsten niet ver schoppen.’
Deze trouw aan het kind of aan het kinderlijk enthousiasme betekent niet dat haar werk onschuldig zou zijn. Het is juist eerder polemisch en radicaal van aard. Kijk maar hoe nietsontziend de activiste Do het in Koetsier Herfst opneemt voor de kreeften. Of kijk naar Rachels rokje, waaruit een grote afkeer spreekt van ‘de moeder’ – de moeder die alle privacy­regels schendt door met een rood potlood ‘kalverliefde’ in het dagboek van haar verliefde dochter te kalken. Het is het rode potlood van de bemoeizuchtige volwassene: doe nu maar afstand van al die grote gevoelens, toom die rare drang tot overgave maar gauw in. Maar Rachel houdt vast aan haar puberliefde, die belangrijk zal zijn voor haar verdere leven.
De personages van Mutsaers weigeren zich de wet te laten voorschrijven. Ze verzetten zich – en ook wel eens met geweld. Haar verhalen zijn, zoals Bart Vervaeck eens heeft opgemerkt, ‘reeëogen met een roofdierenblik’. Een kind is niet alleen onbevangen, enthousiast en verwonderd, maar leeft, volgens Kersebloed, ook ‘in ontzetting’. Ontzetting is een belangrijke motor in het leven van Mutsaers’ personages. Voor hun onbevangenheid betalen ze allemaal, zonder uitzondering, een hoge prijs. De woede daarover kan op elke bladzij tot ontploffing komen. Mooie explosies. Taalvuurwerk, in alle kleuren van de regenboog. De jury hoopt dat Charlotte Mutsaers nog veel uitspattingen voor haar lezers in petto heeft. Ze draagt haar oeuvre unaniem en met volle overtuiging voor ter bekroning met de P.C. Hooft-prijs 2010 voor verhalend proza.

Geert Buelens
Alle Lansu
Janet Luis (voorzitter)
Saskia Pieterse
Leo Pleysier

Aad Meinderts (ambtelijk secretaris)

Feestrede

Dames en heren, Onlangs las ik bij Lessing in diens Laocoön een passage uit de Ilias over de Griekse oppergod Zeus, die met zijn hoofd knikte en zo z...Lees meer >

Feestrede

Dames en heren,
Onlangs las ik bij Lessing in diens Laocoön een passage uit de Ilias over de Griekse oppergod Zeus, die met zijn hoofd knikte en zo zijn ‘donkere brauwen’ voorover boog. De vertaler H.J. de Roy van Zuydewijn drukt het poëtischer uit, hij schrijft dat ‘Kronos’ zoon’ die donkere brauwen ‘neigde’. Volgens Lessing had de legendarische beeldhouwer Phidias zich door deze passage laten inspireren bij het maken van zijn ‘Olympische Jupiter’. Dankzij Homerus begreep Phidias voor het eerst ‘hoeveel expressie er in de wenkbrauwen ligt’, schrijft Lessing. Maar toen ik de betreffende passage las, moest ik helemaal niet aan Phidias denken of aan de Olympische Jupiter, ik dacht: als we daar Mijnheer Donselaer niet hebben! Eindelijk snapte ik waarom hij vier brauwen heeft. Vanwege de expressie!
Ik geef toe, hier is sprake van enige tunnelvisie, maar dat krijg je bij bepaalde schrijvers. De beelden, namen en woorden die in hun werk indruk hebben gemaakt gaan zozeer bij die schrijvers horen dat je deze beelden, namen en woorden voortaan allereerst met hen associeert. Ik ben van huis uit historicus en lees weleens over Napoleon, maar zodra ik diens driekanten steek ergens tegenkom of zodra ik een hand tussen de knopen van een vest geschoven zie worden, dan denk ik niet meer allereerst aan Corsica of Waterloo, maar aan Charlotte Mutsaers.
Ik weet niet hoe het u te moede is, wanneer u bij de groenteboer de bak met komkommers passeert of wanneer u op de radio Ray Ventura’s liedje ‘Toute va très bien Madame la marquise’ hoort of wanneer u op doorreis Oostende aandoet – maar bij mij gaan ook dan de gedachten onwillekeurig naar Charlotte Mutsaers uit. En mochten een paar van die dingen zich toevallig op hetzelfde moment voordoen, dan weet ik zeker dat ik mij even een personage in een van haar boeken zou wanen. Voor de duur van dat moment zou de gewone wereld veranderd zijn in háár wereld.
Het zijn niet de slechtste schrijvers die dit effect teweegbrengen. Kennelijk zijn ze erin geslaagd de werkelijkheid dusdanig naar hun hand te zetten, dat daaruit een herkenbare maar tegelijkertijd volstrekt eigen wereld is ontstaan. Zo is het bij Charlotte Mutsaers, en ik ken in Nederland zo gauw geen andere schrijver voor wie het méér opgaat. Een herkenbare eigen wereld – misschien is het wel het hoogste wat een schrijver kan bereiken, een eigen literair universum, opgebouwd uit niets dan woorden, niets dan taal.
Bij Charlotte Mutsaers, algemeen bekend als dubbeltalent, horen daar ook nog beelden bij, de beelden van haar tekeningen en schilderijen; en de vele illustraties in haar essaybundels zijn dankzij de context eveneens deel gaan uitmaken van die eigen wereld. Een wereld die niet bestond voordat hij geschreven werd.
Ik zeg uitdrukkelijk geschreven en niet beschreven; ik doe dat op gezag van de schrijfster zelf, die meer dan eens op dit onderscheid heeft gewezen. Een wereld die je beschrijft bestaat al voordat je aan de slag ging, een wereld die je schrijft is geheel en al een eigen creatie. Zo’n wereld ontstaat in en door het schrijven. Dat schrijven is daardoor in wezen essayistiek. Dat Charlotte Mutsaers een begenadigd essayist is, weten we van de bundels Kersebloed en Paardejam en ook van Zeepijn, al is dat laatste boek wat mij betreft een beetje een verhaal apart. Maar een essayist is zij in haar hele oeuvre, ook in haar romans. Ook daar wordt iets letterlijk uitgeprobeerd: de creatie van een eigen wereld.
Als het lukt heeft dat iets van een wonder, als een magiër tovert de schrijver een wereld tevoorschijn uit de hoge hoed van zijn verbeelding. Uiteraard zijn dit metaforen. In werkelijkheid is er sprake van stijl en vakmanschap, van kunde en talent, en waaruit bestaat die wereld, als je er goed over nadenkt? Uit taal en woorden, jawel, maar waar het op aankomt is wat de schrijver daarmee doet. Door zijn of in dit geval haar inspanning krijgt de taal een specifieke kleur, in de woorden komt een bepaalde melodie tot klinken, verbindingen worden gelegd tussen zaken die van huis uit niets met elkaar te maken hebben.
Het verzamelwoord dat de vroege Duitse romantici hiervoor hebben bedacht, luidt: poëzie. Voor hen vatte dat de essentie van alle kunsten samen. Met ‘poëzie’ bedoelden zij niet alleen verskunst; zij namen de poëzie zo ruim dat deze alle vormen en uitingen van creativiteit kon omvatten. Zelfs wetenschappers en staatslieden beschouwden zij als ‘dichters’. Zover wil ik bij Charlotte Mutsaers niet gaan; haar bijdragen aan de politiek en de wetenschap vallen buiten mijn gezichtsveld. Maar dat zij in haar hele werk een dichter is, staat als een paal boven water. Dat haar poëzie vooral, zij het niet altijd, in proza is geschreven maakt niet uit, met dank aan de ruimhartigheid van die vroege Duitse romantici.
We hebben hier dus te maken met een essayist die tegelijk een dichter is. Dat lijkt me geen contradictie, niet eens een paradox, maar een samengaan van elkaar aanvullende competenties dat de harde kern van Charlotte Mutsaers’ schrijverschap uitmaakt. De essayist gaat als dichter te werk, de dichter als essayist, en alleen zo laat zich uit taal en woorden een eigen wereld vormen. De poëzie fungeert daarbij als verbale Bisonkit, waardoor alle essayistische associaties vaste vorm krijgen en een nieuw geheel kunnen worden.
Dat geldt ook voor haar essays in de meer conventionele zin van het woord. In die essays geeft zij nooit een quasi-objectief beeld van hun onderwerp. Het is daarom nog niet zo eenvoudig om te zeggen waar ze over gaan – ze drukken eerder iets uit. Neem het schitterende essay ‘Fik & Snik’ uit de bundel Paardejam. Dat lijkt over Pierre Bonnards schilderij Marthe et son chien Black te gaan, maar we lezen ook over een gedicht van Aleksander Blok, over een lezing van August Willemsen, over houtsneden van Félix Vallotton en Dora Carrington, over houtblokken en connotaties, over Ernst Jünger en Georges Bataille, over honden en haardvuur. Wat heeft dit alles met Bonnards schilderij te maken? Ogenschijnlijk niet veel, op de beide laatste zaken na (want die komen ook op het schilderij voor), en toch krijg je geen moment de indruk dat Charlotte Mutsaers het er allemaal met de haren bijsleept.
Misschien moeten we zeggen dat het in ‘Fik & Snik’ niet zozeer draait om het schilderij van Bonnard, als wel om wat dat schilderij de schrijfster heeft gedaan. Dát drukt het essay uit en daarvoor is al het andere wat erin ter sprake komt onmisbaar. Charlotte Mutsaers biedt haar lezers geen feiten, wat zij biedt zijn, om een term uit Koetsier Herfst te lenen, ‘ervaringsfeiten’. Overal in haar werk kom je ze tegen. Zonder ervaringsfeiten zou de eigen literaire wereld die dat werk – in woorden – belichaamt niet kunnen bestaan.
Dat betekent allerminst dat wie haar leest verzeild raakt in een solipsistisch labyrint. Was dat zo geweest, dan hadden we hier vandaag niet gezeten. Om nog even op ‘Fik & Snik’ terug te komen. Natuurlijk gaat het niet alleen om wat dat schilderij van Bonnard Charlotte Mutsaers heeft gedaan, het gaat ook – in meer algemene zin, maar gedemonstreerd aan een even intiem als concreet voorbeeld – over wat kunst vermag. En impliciet over wat kunst zou moeten vermogen. Het is dus ook nog een oratio pro domo en als zodanig verhelderend voor haar eigen werk en de betekenis daarvan voor anderen.
Zoveel kun je alleen maar bij elkaar brengen in één tekst, op een vanzelfsprekende manier, wanneer je als dichter en essayist je metier tot in de puntjes beheerst. Het woord dat daarbij past is: meesterschap.
Exemplarisch, ja bijna uitdagend wordt dat meesterschap gedemonstreerd in Zeepijn. En wel doordat de schrijfster het in deze essaybundel (die daarom een beetje een verhaal apart is) ook op het spel zet met de belofte die zij op een van de eerste bladzijden doet. In een schelpenwinkel in Oostende heeft zij een peper-zout-en-mosterdstel in de vorm van een stenen vis cadeau gekregen. Maar wat haar vooral frappeert is het dennentakje met twee dennenappels dat op de zijkant is geschilderd. Omdat de winkelier ook niet weet waarom dat dennentakje daar zit, belooft zij als tegenprestatie te bewijzen dat het dennentakje op de vis even ‘logisch’ is als de kerstboom in de etalage van de schelpenwinkel.
Ga er maar eens aan staan!
Welnu, in de rest van het boek gaat Charlotte Mutsaers er aan staan. En zie, binnen de kortste keren komen zee, vissen, dennenbomen en Kerstmis je van alle kanten tegemoet. Bij Ponge en tal van andere lievelingsschrijvers ruist het dennenbos als de zee. In een dennen¬appel herkent zij de schubben van een vis. Een dennentak lijkt op een vissengraat. Oostende, stad van vissers en badgasten waar zij met Kerstmis voor het eerst in haar nieuwe woning overnacht samen met man en hond, is voor haar de ‘koningin der kerststeden’. De kerstboom van haar grootvader hing vol met kleine visjes, en wat stond er op het menu tijdens het kerstdiner? Inderdaad, zeebanket. Het bewijsmateriaal blijkt zo overstelpend, dat je je als lezer beschaamd afvraagt waarom je er niet zelf op was gekomen.
Op weer een heel andere manier dan in de essays komt haar meesterschap tot uiting in de romans. Het verraadt zich al meteen in het verschil tussen De markiezin, Rachels rokje en Koetsier Herfst. Je hebt talloze schrijvers die keer op keer hetzelfde boek schrijven, maar Charlotte Mutsaers hoort daar niet bij. Niet dat we in elke roman een andere eigen wereld tegenkomen, want iedere echte schrijver creëert maar één eigen wereld en alles wat hij of zij schrijft draagt daaraan bij; niemand kan het ontgaan dat deze drie romans afkomstig zijn uit dezelfde bron. Maar voor de rest, en dan bedoel ik de vorm, de compositie, kortom de hele aanpak – wat een diversiteit!
Origineel zijn ze ook nog. Wie bang is voor de ‘dood van de roman’ of denkt dat de roman al op het kerkhof ligt, raad ik aan De markiezin en Rachels rokje te herlezen. In deze romans is het alsof het genre opnieuw wordt uitgevonden. In het ene geval met een sprankelende afwisseling van telefonades en herinneringen, in het andere geval met een unieke opeenvolging van ‘plooien’ en ‘sessies’. Vorm en inhoud zijn daarbij één. Om mij tot Rachels rokje te beperken: de vele plooien daarin zijn met hun verleidelijk gewapper en hun fluisterend ‘frou frou’ tevens het middel waarmee hoofdpersoon en vertelster zich weten te bevrijden van de ‘demonische samenhang’ die hen dreigt te verpletteren en tijdens de sessies met de rechters zuiveren zij zich van alle vermeende schuld. Je zou natuurlijk ook kunnen spreken van verbeeldingskracht en gewetensonderzoek, maar dat doet afbreuk aan de dichterlijke concreetheid van de roman.
Vergeleken met De markiezin en Rachels rokje maakt Koetsier Herfst een veel ‘gewonere’ indruk. Er is een verhaal dat je zou kunnen navertellen, er zijn markante personages en sommige lezers hebben er zelfs een ondubbelzinnig maatschappelijk engagement in ontdekt. Tegelijkertijd is Koetsier Herfst een roman die zijn geheim niet zo een-twee-drie prijsgeeft. Want wat is dat verhaal dan precies, hoe markant zijn die personages nu echt, en wat houdt dat engagement eigenlijk in?
De geheimzinnigheid van de roman wordt mede bevorderd doordat hij door een van de hoofdpersonen, de aandoenlijk reus Maurice Maillot, zou zijn geschreven. Dat betekent dat we bij alles wat we lezen ook met zíjn blik rekening moeten houden. Zelfs de mogelijkheid dat veel en misschien wel alles, ook binnen de context van de fictie, verzonnen is of beantwoordt aan een wensdroom, kan nooit helemaal worden uitgesloten. Wie wordt er nu verliefd op een in het Vondelpark gevonden mobieltje? Use your illusion, wordt ons niet toevallig meer dan eens voorgehouden. En hoe zit het met de opvallend mannelijke trekken van Do en de vrouwelijke van Maurice – ga je daarover piekeren, wat is er dan nog zo markant aan deze karakters? Is het niet eerder zo dat ze elkaar aanvullen, om niet te zeggen dat ze in elkaar overvloeien als twee communicerende vaten, iets wat trouwens op een pikante manier ook letterlijk geschiedt?
Het engagement lijkt steviger verankerd. Niet voor niets is de roman opgedragen aan alle prisoners of compassion, waarmee volgens de ‘Introductie’ de ouders van Maurice zijn bedoeld: dierenactivisten die zich in de gevangenis van kant hebben gemaakt. Maar halverwege het boek draait die betekenis om en opent zich een verrassende tragische dimensie, wanneer blijkt dat iemand – in dit geval Do – ook de gevangene van haar eigen compassie kan zijn. Haar tragiek zit hierin dat zij te gronde gaat aan het beste wat zij in zich heeft. Kan een tragedie ook geëngageerd zijn, en zo ja, met wie of met wat dan wel?
Het zal duidelijk zijn: ook een relatief ‘gewone’ roman krijgt in handen van Charlotte Mutsaers al gauw allerlei ongewone kanten. Hoe dieper je erop ingaat, hoe meer dat er worden. De roman zelf wordt daar intussen alleen maar beter van, rijker, betoverender.
Laten we dat laatste woord even vasthouden. Max Weber schreef ooit over de ‘onttovering van de wereld’ en hij doelde op de vooruitgang van de moderne wetenschap, die alle geheimen uit de wereld zou hebben verdreven. En daarmee ook alle luister. Ik geloof niet dat die vooruitgang kan worden tegengehouden, gesteld dat je dat zou willen. Maar wat je wel zou kunnen proberen is iets van de verloren luister te herstellen – door de wereld opnieuw te betoveren. Precies dat probeert Charlotte Mutsaers te doen, niet alleen in Koetsier Herfst, maar in al haar boeken. Dat we daarin zo’n luisterrijke én betoverende, maar aan de keerzijde geenszins van tragiek verschoonde eigen wereld aantreffen, laat zien hoezeer haar poging is geslaagd.
De behoefte aan een eigen wereld ontstaat als de gewone wereld niet helemaal voldoet. Wie vertrouwd is met de cultuurkritische aspecten van Mutsaers’ werk, zal in deze formulering het understatement herkennen. De behoefte ontstaat uit een tekort. Maar bij een echte kunstenaar kan dat nooit het hele verhaal zijn. Scheppen doe je namelijk uit overvloed, dus minstens zo belangrijk is hier het ervaren teveel. Een teveel aan verlangen, aan herinneringen, aan gevoeligheid, aan enthousiasme, aan eigenzin, een teveel dat pas als een te veel wordt ervaren wanneer er in de gewone wereld onvoldoende ruimte voor blijkt te bestaan.
Een zelfgecreëerde wereld biedt die ruimte wel. Ook voor de lezers – op voorwaarde dat ze er een beetje hun best voor doen. Want een schrijver kan niet alles alleen opknappen. Zelfs Charlotte Mutsaers niet. Sterker nog, zij vraagt indirect om onze medewerking. Hoe? Door zelden iets voor te kauwen en bijna altijd iets achter te houden. ‘Het achterste van de tong en het onderste van de nek behoren niet tot de edele delen’, lees ik in Kersebloed. Een permanente alertheid is derhalve geboden, want het ene woord kan altijd een ander verbergen, net zoals de trein bij de spoorbomen.
Is die alertheid eenmaal geactiveerd, dan laat zij zich niet zo makkelijk weer tot bedaren brengen, is mijn ervaring. Wie gegrepen wordt door de wereld van Charlotte Mutsaers komt er niet meer van los, je komt die wereld juist overal tegen. Anders gezegd: de lectuur van haar boeken houdt niet op als je ze uit hebt, in zekere zin begint die dan pas. Misschien is dit wel het grootste genoegen dat een schrijver de lezer kan bereiden en het grootste compliment dat een lezer de schrijver kan maken.
Lieve Charlotte, ik heb tot nu toe gesproken, alsof je er niet bij zit. Niet omdat je lucht was, integendeel, je was het onderwerp. Maar zo objectief ga ik niet eindigen. Daarom wil ik tot besluit mijn grote subjectieve tevredenheid uitspreken over het feit dat jij vandaag de P.C. Hooft-prijs ontvangt en mijn ontevredenheid over het feit dat ik maar een paar van de redenen heb kunnen noemen waarom je die zo volkomen verdient.

Arnold Heumakers

Dankwoord

Hooggeachte jury, geachte aanwezigen, beste buren, beste muzikanten, dierbare vrienden, lieve zus, lieve hond, allerliefste Jan, Een van de verrassend...Lees meer >

Dankwoord

Hooggeachte jury, geachte aanwezigen, beste buren, beste muzikanten, dierbare vrienden, lieve zus, lieve hond, allerliefste Jan,

Een van de verrassendste dingen die ik de laatste tijd gelezen heb, stond in een Amsterdamse buurtkrant. Het ging over het beeld van Atlas, dat zich bevindt op het achterdak van het paleis op de Dam. Mijn leven lang had ik gedacht dat die de aardbol op zijn vermoeide schouders droeg en nu bleek het ineens het hemelgewelf te zijn. Dit zette mijn hele wereld weer eens op zijn kop. Onvoorstelbaar dat ik me nooit had afgevraagd hoe iemand in godsnaam de aarde zou kunnen dragen waarop hij zelf staat… Maar goed, gelukkig ben ik de enige niet die me heb vergaloppeerd. Surfend op internet kwam ik er al gauw achter dat minstens de halve mensheid denkt dat het de wereld en niet de hemel is, die Atlas draagt. Als ik me niet vergis heeft Jeanette Winterson zelfs een hele roman aan Atlas als werelddrager gewijd en bij mijn weten is haar dat door geen enkele criticus kwalijk genomen. Waarom ook. Bepaalde kennis bereikt je nu eenmaal niet of verkeerd, of wordt domweg vergeten. And so what. Tenzij men zich beschouwt als publieke intellectueel of tenzij het gaat om zaken van levensbelang, bestaat er geen enkele noodzaak of plicht om informatie, hoe belangrijk ook, in zich op te nemen. Het is bekend dat sommigen daar anders over denken. Karel van het Reve bijvoorbeeld was van mening dat elke intellectueel per se gehoord moest hebben van Attisch zout. Dat staat hem natuurlijk vrij maar daar sta ik buiten. In het verlengde hiervan ligt mijn hardnekkige onwil om me voor een roman uitvoerig te gaan documenteren. Liever doe ik het met reeds verworven kennis die is beklijfd. Slechts zulke kennis is door de fijnmazige persoonlijke zeef gegaan en bevordert oorspronkelijkheid.
Geen schaamte dan ook over mijn eigen onkunde inzake de vracht van Atlas. Ik ben er ook alleen maar over begonnen omdat ik ogenschijnlijk een literaire fout heb gemaakt. Dat doet het immers goed in combinatie met een P.C. Hooft-laureaat. Doch niet te vroeg gejuicht. Of die fout literair is valt nog te bezien.

De gewraakte passage komt voor in mijn boek Kersebloed (1990), waarin ik teruggrijp op een jeugdherinnering.
Op de benedenverdieping van mijn ouderlijk huis in Utrecht woonde een oude professor. Deze professor had een bronzen Atlasbeeld op zijn bureau staan. Als kind legde ik die Atlas soms stiekem op zijn zij omdat ik medelijden had vanwege het feit dat hij continu de loodzware aardbol op zijn rug moest torsen. Zo kon hij even uitrusten. Ik weet niet hoe ik eraan kwam maar vanaf een jaar of vijf beschikte ik al over een krankzinnige vorm van empathie die zich niet alleen uitstrekte tot mens en dier maar zelfs tot planten en voorwerpen. Empathie geldt als een nobele eigenschap. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat men onder zijn compassie gebukt gaat en dat ging ik helaas wel. Sprong er een knoop van een jas dan voelde ik zowel met jas als knoop een intens medelijden. Werd er gesnoten in een schone zakdoek dan kon ik dat niet aanzien. Een potlood slijpen vond ik wreed. Aardappelen schillen ook. Na afloop van de bloemenmarkt raapte ik alle verlepte bloemen op om ze thuis in een vaas te zetten. Aangespoelde kwallen bracht ik terug naar de zee. Had ik een blinde man of vrouw ontmoet, ik kon er niet van slapen. Enzovoort, enzovoort. Mijn ouders zeiden vaak dat het geen zin had om het leed van de hele wereld op mijn rug te nemen. Gelijk hadden ze. Bovendien, ik was geen Titaan. Alleen verbaast het me dat ze zich nooit hebben afgevraagd waar mijn gedrag vandaan kwam. Niets komt zomaar uit de lucht gevallen, ook zwaartillendheid niet.

Ga ik mijn fout bij een volgende druk van Kersebloed nu onmiddellijk corrigeren door Atlas’ aardbol te veranderen in een stralend hemelgewelf? Geen denken aan. Een hemeldrager zou nooit mijn kinderlijke compassie hebben opgewekt. Lucht is immers licht? Met de verbetering van deze fout zou de strekking van het verhaal de mist zijn ingegaan.
Empathie heeft zoals elke medaille twee kanten, een altru­is­tische en een egoïstische. Schrijven om de wereldlast die op mijn en andermans schouders drukt af te wentelen naar de taal en aldus minder zwaar te maken, ziedaar de belangrijkste drive achter mijn schrijverschap. Lichtvoetig zal niemand ervan worden maar wellicht wel monterder, en monterheid is nog altijd het beste wapen tegen de zwaartekracht.

Ik dank mijn ouders die mij op de wereld hebben gezet. Ik dank de juryleden dat ze mij voor deze prachtprijs hebben uitverkoren. Ik dank de Hema waarin ik dit goede nieuws samen met mijn man heb mogen vernemen. Ik dank Arnold Heumakers voor zijn laudatio. Ik dank mijn leraren van het Stedelijk Gymnasium in Utrecht voor de kennis die ze me hebben aangereikt. Ik dank Aleida Schot, mijn docente taalbeheersing aan de Universiteit van Amsterdam, dat ze mijn ogen voor de finesses van de taal heeft geopend. Ik dank mijn uitgever en zijn voltallige personeel voor het feit dat ze altijd vierkant achter me staan. Ik dank de steden Utrecht, Amsterdam en Oostende voor de inspiratie die ze mij hebben bezorgd. Ik dank de kranten en tijdschriften die mij een podium hebben geboden. Ik dank alle critici, wetenschappers en studenten die zich in mijn werk hebben verdiept. Ik dank mijn vrienden, van wie er helaas al velen zijn overleden, voor hun hartelijkheid, steun en stimulans. Ik dank alle huizen waarin ik fijn en veilig heb kunnen werken. Ik dank de talloze onbekenden die mij op straat zo lief en verheugd met deze prijs hebben gefeliciteerd. Ik dank onze katten voor het aanscherpen van mijn gevoel voor stijl. Ik dank onze honden, die mij tijdens het wandelen altijd op belangrijke gedachten hebben gebracht. En ik dank Jan omdat hij mij elke dag weer zoveel geluk, warmte en zin in het leven schenkt.

Hef hoog het glas!

Charlotte Mutsaers