Jury
De eerste keer

Het is de eerste keer dat de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde een oeuvreprijs voor illustratoren van kinderboeken kan toekennen. De jury is bijzonder verheugd voor deze nieuwe prijs een van de grootsten op dit terrein voor te dragen: Mance Post.

De prijs draagt de naam van een generatiegenoot van Mance Post, Max Velthuijs, iemand die vaker ter discussie stelde dat in ons land over het algemeen auteurs hoger worden gewaardeerd dan illustratoren. Max Velthuijs was zelf de schepper van een eigenwijs, maar onbevooroordeeld dier dat zelfs door de kleinsten onder ons onmiddellijk herkend wordt. Maar wat die jeugdige kijkertjes niet beseffen – en dat hoeven ze ook helemaal niet – is dat hun groene heldje met zijn roze streepjesbroek en zijn minimaatschappij niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Natuurlijk maakt hij deel uit van een heel oeuvre, een niet te onderschatten oeuvre dat zich langzaamaan heeft ontwikkeld. Om tot zulke essentiële en krachtige uitdrukkingsvormen te komen die zo’n ‘klassiek’, breed aansprekend beeld opleveren als Kikker, heeft een illustrator meestal wel enige jaren nodig, enige oefening, enige levenswijsheid vooral. De naamgever van de prijs was zeer veelzijdig op zijn terrein, hij heeft in pakweg vijftig jaar niet alleen zijn beroemde prentenboeken gemaakt, hij was ook schilder en hij heeft veel meer boeken geïllustreerd dan alleen die van hemzelf. Bovendien is deze prijs genoemd naar iemand die niet alleen autonome kunstprentenboeken voor de jeugd maakte (tegenwoordig de droom van vele jonge academiestudenten), maar ook een echte illustrator was in de strikte zin van het woord.
Diezelfde eis moest ook worden gesteld aan de tekenaar aan wie deze Max Velthuijs-prijs de eerste keer zou toevallen. Iemand met een herkenbaar oeuvre en iemand die bovendien een echte illustrator is.

Een illustrator is iemand – en daar was de jury het unaniem over eens – die ‘dienend’ kan werken (om dat akelige woord maar eens te gebruiken) en tegelijkertijd beeldbepalend kan zijn. Iemand die een literaire tekst versiert, verlucht, maar dan wel iemand die niet alleen de door de schrijver opgeroepen zichtbare wereld uitbeeldt, maar ook abstracte begrippen kan interpreteren. Een goede illustrator is iemand die een krekel met een mier op schoot kan laten zien, mooi gekarakteriseerd zoals krekels mieren op schoot houden, en zó dat je tegelijkertijd ook nog aan ze kunt zien dat ze van elkaar houden en zelfs hoeveel.

Mance Post, die van zichzelf beweert dat ze alleen maar iets kan tekenen als het verhaal er is (‘zonder verhaal begin ik niets’), kan dit allemaal. En een oeuvre heeft ze ook. Want ze werkt al heel lang in dit vak. Om maar eens een greep te nemen uit de auteurs voor wie zij in de loop der jaren heeft gewerkt: Bertus Aafjes, Hans Hagen, An Rutgers van der Loeff, K. Schippers, Annie M.G. Schmidt en Rita Törnqvist.

Uit haar eerste illustraties, voor Het boek van Thijs en Claartje (J.A. Schreuder, uitgegeven door L.C.G. Malmberg, ’s-Hertogenbosch 1953), blijkt dat ze direct, zestig jaar geleden al, openstond voor verschillende stijlen, van sterk grafisch tot zeer gedetailleerd.
Welk naoorlogs kind kent het werk van Mance Post niet? De kindertjes van de wederopbouw, die de versjes van Han G. Hoekstra leerden, herinneren zich het beeld van de hoekige of golvende, altijd sterke knipsels die Mance hierbij maakte. De anti-autoritaire kinderen – of liever gezegd die met anti-autoritaire ouders – van twintig jaar later zijn opgevoed met haar zorgvuldig getekende, eigentijdse pubers, met slordige kleren. Eigenwijze snotneuzen zoals een recensent van de Volkskrant het onlangs nog omschreef. Met Madelief dus. En een volgende generatie, die begon te lezen net toen de illustrator zo’n beetje de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, de generatie die nu binnenkort zelf misschien gaat schrijven, illustreren of recenseren, die kent weer een heel andere kant van Mance. Van het ene op het andere moment begon ze te experimenteren met de linosnede en van daar uit ontwikkelde zij een grafische techniek die het beste te omschrijven valt met de moderne term ‘mixed media’. De krekel en de mier, de eekhoorn en de schildpad, die zo langzaam als zij kunnen de mooie filosofieën van Toon Tellegen illustreren, zijn in een paar expressieve lijnen weggezet. Ze zijn tijdloos en klassiek geworden. Mede dankzij de zorgvuldige vormgeving van Barbara van Dongen Torman hebben ze de kracht van Japanse prenten.
‘Het grijs van de nacht’, schreef Toon Tellegen in 1991, ‘de houding van de mol –vastberaden, maar ernstig verstrooid – de lange weg langs de stam van de beuk nog voor hem, de stok in zijn hand, de zwaartekracht waar hij geen weet van heeft en die zich ook niet met hem bemoeit: die prent is mij het dierbaarst van alle illustraties die Mance Post van de dieren heeft gemaakt.’

Aan dit soort trefzekere vereenvoudiging is een zorgvuldige, diepgaande studie van het onderwerp voorafgegaan. Ook al werd de uiteindelijke illustratie vaak in een andere techniek uitgevoerd, Mance Post heeft altijd veel getekend, de hele dag door. Ze liet, zoals onder meer Bregje Boonstra heeft vastgelegd, kinderen spelenderwijs poseren: ze observeerde en bestudeerde al krabbelend met een zacht potloodje in de hand het leven om haar heen. Het leven in en rondom haar souterrain aan een van de Amsterdamse grachten, waar een raam als deur fungeert en de kinderen uit de buurt en hun ouders als het ware vanzelf komen binnenvallen. Daar werd natuurlijk ook Madelief gevormd.

Kijken, kijken, kijken. En krabbelen, krabbelen, krabbelen. Al in de vroege negentiende eeuw raadden kunstenaars hun leerlingen aan om zoveel mogelijk de natuur om hen heen te bestuderen, niet alleen het landschap en de lucht maar ook de mensen. De beroemde Nederlandse schilder B.C. Koekkoek, die een tekenschool runde in Kleef, hamerde er bij zijn leerlingen op om voortdurend maar in hun schetsboekjes te tekenen en altijd maar het gedrag en de houding van de mens te bestuderen, van hun kameraden in het koffiehuis tot en met de passagiers op de boot, als ze op reis gingen om nieuwe onderwerpen te vinden. Met behulp van die schetsen konden de schilders dan later, in hun atelier, veel echtere figuren in hun landschappen schilderen dan op basis van de veel verder uitgewerkte, maar veel statischer studies van poserende modellen die ze op de academie moesten maken. En Koekkoek was niet de laatste toen hij in 1841 zijn goede raad aan jonge tekenaars publiceerde. Ook in de loop van de twintigste eeuw bleven er, ondanks de opkomst van groeperingen die met verf gingen smijten, steeds weer docenten die hamerden op het nut van tekenen en schetsen. Denk aan Sierk Schröder, Paul Citroen en Piet Klaasse. De laatste, een leerling van Citroen, heeft Mance Post op het Amsterdamse Montessorilyceum lesgegeven en ook daarna nog begeleid. Ze mocht hem zelfs opvolgen aan die school. Het is duidelijk dat Piet Klaasse invloed heeft gehad op haar manier van werken, met name op de realistische stijl van de fijne potloodillustraties uit de Madelief-periode. Maar ook de veel grafischer ‘Tellegen-dieren’ in de per definitie ruigere linosnedetechniek berusten op observatie. En dat, gecombineerd met verbeeldingskracht, maakt ze onsterfelijk: ze zijn wonderbaarlijk en aards tegelijk.

Unaniem stelt de jury voor Mance Post, de Grote Oude Dame van de Nederlandse illustratiekunst, te bekronen met de Max Velthuijs-prijs 2007, waarmee eer wordt betoond aan een veelzijdig, persoonlijk kunstenaar wier werk wordt gekenmerkt door een hoge kwaliteit en die bovendien bereid en in staat is gebleken zich op gevorderde leeftijd te vernieuwen, wat vele klassieke beelden heeft opgeleverd die met name de verhalen van Toon Tellegen een lust voor het oog maken. Een verrijking voor lezend en – vooral – kijkend Nederland.




Van de jury maakten deel uit Saskia de Bodt (voorzitter), Piet Buijnsters, Gerda Dendooven, Aad Meinderts en Truusje Vrooland-Löb; Anton Korteweg was ambtelijk secretaris.