Juryrapport
Onze samenleving lijkt verslaafd aan meningen en opiniepeilingen, maar het essay leidt een nogal verborgen bestaan. Nieuwe romans liggen in de boekwinkel plat op tafel te glimmen, dichtbundels staan overzichtelijk bij elkaar in een kast, essays daarentegen hebben niet eens een eigen plankje. Waar laten de boekhandelaren de essaybundels? Het hangt er maar van af. Is de bundel van een auteur van naam en faam, dan wordt het werk bij de literatuur gezet. Heeft de auteur niet voldoende literaire statuur, dan wordt de bundel verwezen naar de kasten non-fictie tussen de historische studies, de biografieën, de psychologische zelfhulpgidsen, de politieke beschouwingen of de aanbevelingen voor het management. Een boek van Maarten ’t Hart over Bach ligt breeduit op de literatuurtafel. Een boek over klassieke muziek van bijvoorbeeld Elmer Schönberger komt met een beetje pech in de flinterdunne supergespecialiseerde sectie musicologie terecht, waar hooguit vakmensen het zullen opmerken. Elke essayist ziet zijn werk graag plat op de tafel van de literatuur. Dat is de tafel die er echt toe doet. Daar laat elke boekwinkelbezoeker zijn ogen tenminste een paar minuten overheen dwalen. Dat het essay geen vaste plaats in de boekhandel heeft, hangt samen met de omstandigheid dat het niet meer het exclusieve terrein van de literaire schrijver is. De essayisten zitten zo langzamerhand overal.

Abram de Swaan heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Een oeuvre met bijzondere literaire kwaliteiten. De Swaan staat niet in de eerste plaats bekend als essayist, maar als schrijvende socioloog. Toch is hij een essayist pur sang. Hij gebruikt zijn kennis en inzicht om telkens weer onbekende wegen op te gaan. Moderne essayisten zijn bijna altijd deskundig op een paar terreinen, óf omdat zij zich er uit liefhebberij in verdiept hebben óf omdat het hun professie is. Omdat iedereen wel van ten minste één ding veel af weet, zou iedereen in theorie essayist kunnen worden. Maar meteen dient zich dan een tweede criterium aan: je moet je gedachten ook nog eens beeldend en overtuigend kunnen opschrijven. Deskundigheid en schrijverschap blijken elkaar in de praktijk doorgaans behoorlijk in de weg zitten. Alleen de echte schrijver is in staat weerstand te bieden aan jargon en wetenschappelijke slagen om de arm, die op de leek overbodig en vermoeiend overkomen. En dan is er nog een derde criterium: een essayist dient over intellectuele moed te beschikken om de wereld van de idées reçues te verlaten en op eigen geestkracht onbekend terrein te verkennen. De ware essayist spreekt zich krachtig uit, en hoopt dat er vroeg of laat een reactie komt. De Swaan is zo’n essayist.
De Swaan is nationaal en internationaal een vooraanstaand socioloog. Hij wordt samen met Joop Goudsblom gerekend tot de voorttrekkers van de Amsterdamse School, een richting in de sociologie die voortwerkt op de civilisatietheorie van Norbert Elias. In de civilisatietheorie van Elias wordt beschreven hoe de groeiende onderlinge afhankelijkheid van mensen wel móet leiden tot een steeds fijnmaziger systeem van omgangsregels, waarbij externe dwang geleidelijk plaatsmaakt voor zelfbeheersing. In deze theorie over de ontwikkeling van omgangsvormen werd, voor een eeuwen omspannende periode, een samenhangende sociologische visie ontwikkeld die niet alleen steunde op veel historisch onderzoek, maar ook op diep nadenken over onderliggende patronen en processen. Nadenken over minder zichtbare patronen is bij uitstek kenmerkend voor het werk van Abram de Swaan. Het is niet verwonderlijk dat Freud en diens psychoanalytische methode een bron van inspiratie voor hem is.
Elias’ manier van kijken en analyseren paste De Swaan toe op uiteenlopende sociale ontwikkelingen. De onderliggende maatschappelijke verandering in de opstand van de jeugd tegen autoritaire ouders en regenten, ook wel bekend als de jaren-zestig¬revolte, werd door De Swaan samengevat als een ontwikkeling ‘van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding’, een catch-phrase die snel ingang vond in het dagelijks spraakgebruik en waarop nog altijd dankbaar wordt teruggevallen wanneer er een verklaring nodig is voor gewelddadig verzet of een gezagscrisis. Een ander door De Swaan gemunt begrip is ‘protoprofessionalisering’, misschien niet een heel elegant woord, maar wel onmisbaar omdat het een verschijnsel aanduidt dat daarvóór nauwelijks besproken kon worden omdat er nog geen woord voor bestond: de neiging van leken om zichzelf en hun psychische problemen te beschrijven in het vakjargon van de hulpverleners. Iemand zegt dan bijvoorbeeld: ‘Mijn problemen zijn allemaal terug te voeren op de symbiotische relatie met mijn moeder.’ Of een verdachte in de rechtbank: ‘Als ik niet had geleden onder stress en een stoornis in het autistische spectrum, was het nooit zo ver gekomen, edelachtbare.’ Het lijkt een marginaal verschijnsel, maar sinds De Swaan het begrip introduceerde, heeft de opkomst van internet aan protoprofessionalisering een enorme impuls gegeven. De medische wereld kan daarover meepraten.

Binnen zijn vakgebied is De Swaan meer een geleerde in de klassieke zin van het woord dan een rekenaar die eindeloos cijfers door de computer haalt. Hoewel mathematisch georiënteerd, houdt hij zich verre van het reduceren van de werkelijkheid tot tabellen. Statistieken en historische gegevens vloeien in zijn werk samen, waarbij de wetenschapper zich niet zelden ontpopt als een ware essayist door verbanden bloot te leggen die slechts door associatief combineren of door slim deduceren kunnen worden ontdekt.
Vanaf 1977 tot 2001 was De Swaan hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1987 stond hij aan de wieg van het Postdoctoraal Instituut voor de Sociologie, dat na fusie met het Centrum voor Azië-Studiën Amsterdam omgedoopt werd tot de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek. Van 2001 tot 2007 was hij universiteitshoogleraar so¬ciale wetenschap, eveneens in Amsterdam. Daarnaast vervulde hij vele gastdocentschappen in het buitenland.
De Swaan ziet het niet als de taak van de sociologie om de maatschappij te verbeteren of te helpen beheersen, maar om bij te dragen aan een verbetering van kwaliteit van de discussie over de maatschappij. Met dit credo nam hij zowel afstand van de bevlogen – vaak marxistische – wereldverbeteraars die in de jaren zeventig hun stempel drukten op de sociologie, als ook van de waardevrije, zuiver kwantitatieve onderzoeksrichting die tegenwoordig de sociologie domineert. Al gooit De Swaan er op z’n tijd best eens een formule of model tegenaan, zijn kracht heeft altijd in de analyse gelegen. Waarom gebeuren de dingen zoals ze gebeuren? Wat zit daarachter? Hoe valt dat te verklaren in de diepte (historisch gezien) of in de breedte (in vergelijking met andere landen)?
Een van De Swaans grote kwaliteiten is zijn onstilbare nieuwsgierigheid, die uiteindelijk de begrenzingen van zijn vakgebied verre te buiten gaat. Hij gedraagt zich als een homo universalis met een panoramische belangstelling voor mens en maatschappij. Hij is zowel geïnteresseerd in dingen die zich op microniveau afspelen, bijvoorbeeld de interactie tussen therapeut en patiënt, als in fenomenen op macroniveau, bijvoorbeeld genocide, het mondiale talenstelsel, internationalisering en kosmopolitisme. En dan ook nog van alles wat daartussenin zit: de verzorgingsstaat, het jodendom, technologische gadgets, de functie van kunst. Er is maar weinig wat hem niet interesseert. Maar een socioloog is dan ook, in zijn eigen woorden: ‘iemand die het vermogen heeft ontwikkeld zich in enig deelterrein in te werken en daarover iets zinnigs te zeggen, juist omdat hij beschikt over een brede eruditie en een omvattend inzicht in maatschappelijke ontwikkelingen in hun samenhang’.

De Swaan begon zijn schrijfcarrière bij het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures, waarin hij onder andere een geruchtmakend stuk ‘Tegen het joodse sentimentalisme’ schreef. Hierin waarschuwde hij tegen de potentiële onwaarachtigheid van groepsidentiteit, in casu de joodse. In die tijd werd hij ook justitieel vervolgd wegens ‘smadelijke godslastering’, omdat hij in Propria Cures vanuit Golgotha de kruisiging van Jezus had beschreven in de reportagestijl van Time.
Een terugkerende fascinatie geldt de tegenstelling tussen altruïsme en egoïsme, tussen beschermen en vermorzelen, en hoe die elementaire menselijke neigingen zich met elkaar verknopen. In Zorg en de staat (1989) bijvoorbeeld, De Swaans magnum opus, over de ontstaansgeschiedenis van de verzorgingsmaatschappij, wordt de rode draad gevormd door het welbegrepen eigenbelang van de hogere klassen die inzagen dat ze minder last hadden van het proletariaat als ze de armen lieten delen in de groeiende welvaart. Zorg en de staat verscheen oorspronkelijk in 1988 in het Engels en werd ook vertaald in het Duits, Frans en Spaans. In De mens is de mens een zorg (1976) houdt hij zich bezig met het spanningsveld tussen samenwerking en rivaliteit, in dit geval toegespitst op het gebied ‘verzorging’. In 2003 hield hij de Huizinga-lezing onder de titel Moord en de staat. Hierin verkende hij de duistere moorddadige krachten waaraan een maatschappij in tijd van oorlog, maar ook in vredestijd, ten prooi kan vallen.
Naast zijn academische werk heeft De Swaan ook altijd voor een breder publiek geschreven. Tussen 1983 en 1997 schreef hij met onderbrekingen columns en af en toe essays in NRC Handelsblad. Deze kortere stukken gingen zelden over iets uit de onmiddellijke actualiteit, maar bestreken gebeurtenissen, trends, marginale incidenten waarvan de betekenis bij nader inzien toch iets verder bleek te reiken. Hij schreef op een inzichtgevende manier over wat hij andere mensen zag doen, over eigen belevenissen en over ingewikkelde gevoelens zoals medelijden. Zijn eerste interesse is gericht op het doorgronden van de tijdgeest, terwijl hij zich ook buigt over klassieke dilemma’s als ‘wat doe je als je getuige bent van een straatgevecht?’ en ‘hoe lang zou je de dakloosheid voor kunnen blijven, als je berooid en wel van vriend naar familielid moet trekken om te logeren?’ De Swaan zag het zichzelf niet langer dan anderhalf jaar volhouden.
Deze krantenstukken zijn gebundeld in Halverwege de heilstaat (1983), Het lied van de kosmopoliet (1987) en Blijven kijken (1997). Omdat de tijdgeest soms snel verandert, maar de wereld vaak maar heel traag volgt, zijn deze bundels vandaag nog even leesbaar als actueel. Het militante feminisme mag dan zijn uitgestorven, in het straatbeeld vinden we nog altijd volop urinoirs en maar zelden een vrouwen-wc.

Unaniem stelt de jury voor Abram de Swaan te bekronen met de P.C. Hooft-prijs 2008. Uit alles wat hij schrijft spreekt een grote maatschappelijke betrokkenheid, zonder dat hij op enige ideologische vooringenomenheid valt te betrappen. Zijn slimheid en zijn open instelling behoeden hem daarvoor. Cynisme en ironie zijn hem vreemd. Hij is veel meer een nieuwsgierig en zorgvuldig waarnemer, die onverwachte dwarsverbanden legt en steeds een originele draai aan een onderwerp weet te geven. Hij is, om kort te gaan, een meester van de analyse, iemand die dol is op denken en schrijven, een geboren essayist.
Hoewel hij zijn lezers niet onderschat en geen moeite doet om complexe materie eenvoudiger voor te stellen dan die is, valt er in zijn hele oeuvre geen onbegrijpelijke zin aan te wijzen. Hij schrijft zowel over ingewikkelde als over simpele zaken in glasheldere en lenige taal, waar het plezier in het schrijven vanaf vonkt. Wel kan hij zinnen schrijven die je twee keer moet lezen, omdat iets gewoons plotseling als ongewoon wordt voorgesteld. De Swaan bestrijkt het hele register van behoedzaam docerend de student aan de hand nemen, tot aan de geestige persoonlijke ontboezeming en het sardonisch ontleden van impliciete boodschappen in het moderne spraakgebruik. Hij is even sterk in empathie als in kritiek. Zijn geschriften vormen een levendige ontkenning van het cliché dat sociologie een opgeblazen wetenschap is die alleen maar met holle woorden beschrijft en in tabellen vat wat iedereen allang weet. Het werk van De Swaan heeft niet alleen de sociologie verrijkt, maar ook de Nederlandse essayistiek. In de boekwinkel verdient het een prominente plaats op de literatuurtafel.

De jury van de P.C. Hooft-prijs 2008:

Dirk van Delft
Vincent Icke
Amanda Kluveld (voorzitter)
Beatrijs Ritsema
René van Stipriaan
Anton Korteweg was ambtelijk secretaris